Voorbij de waardigheid – artikel 1 UVRM

voorbij de waardigheid
Foto van Gerbrig Deinum
Gerbrig Deinum

Schrijver & inspirator

Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren.

Deze regel heb je vast wel eens gehoord of gelezen. Het is artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het is prachtig gezegd: ieder mens heeft waardigheid. Het klinkt logisch, bijna onaantastbaar. Maar zodra je vraagt wat waardigheid precies is, wordt het ineens ingewikkeld.

Dat ieder mens waardigheid bezit, hebben we internationaal vastgelegd. Wat we daarmee precies bedoelen, veel minder.

Wát proberen we met artikel 1 te beschermen?

Eén begrip, verschillende mensbeelden

Bij het ontstaan van de UVRM in 1948 moesten mensen met totaal verschillende levensbeschouwingen tot één universele tekst komen.

Christenen, secularisten, verschillende filosofische tradities en vertegenwoordigers uit uiteenlopende culturen kregen de opdracht om het eens te worden over universele rechten.

Ze hoefden het niet eens te worden over wat een mens ten diepste is. Ze moesten het eens worden over hoe een mens behandeld behoort te worden.

De diepere vraag over wat de mens is — en waar zijn rechten uiteindelijk vandaan komen — hoefde niet te worden beantwoord.

Misschien kon de commissie van Eleanor Roosevelt juist tot een universele mensenrechten verklaring komen doordat ze die diepste vraag over de mens openliet.

Het begrip ‘waardigheid’ bood daarvoor ruimte: iedereen kon erachter staan, zonder dat men op één lijn hoefde te zitten over de exacte betekenis.

Wanneer wordt waardigheid geschonden?

Bij een term die openstaat voor een brede interpretatie kan het best lastig zijn om te bepalen wanneer deze wordt geschonden.

Jurist en onderzoeker Kate Kārkliņa onderzocht de betekenis van menselijke waardigheid binnen de internationale mensenrechten rechtspraak.

Zij beschrijft hoe het ontbreken van een precieze definitie bij het ontstaan van de UVRM juist een voordeel was. Mensen met verschillende wereldbeelden konden menselijke waardigheid onderschrijven, zonder het eens te hoeven worden over de oorsprong of precieze betekenis ervan.

Kārkliņa kijkt vervolgens niet alleen naar filosofische definities van waardigheid, maar vooral naar hoe mensenrechtenhoven er in de praktijk mee omgaan. Ze vergeleek Europese, Afrikaanse en Inter-Amerikaanse rechtspraak en zocht naar overeenkomsten.

Daar blijken twee elementen steeds terug te komen:

1. Lichamelijke integriteit

Bij marteling wordt iemands lichamelijke integriteit overschreden.

Maar als iemand wordt gemarteld, mishandeld of vernederd, wordt niet alleen zijn lichaam aangetast. Ook de zeggenschap over het eigen lichaam wordt iemand afgenomen. Een ander bepaalt wat er met jou gebeurt en negeert daarbij jouw wil en jouw grenzen.

De mens wordt daarmee behandeld als iets waarover een ander kan beschikken.

Als een object.

2. Gelijkwaardigheid

Het tweede element raakt aan de erkenning dat ieder mens als gelijkwaardig behoort te worden behandeld.

Dat betekent niet dat iedereen hetzelfde is of hetzelfde behandeld moet worden. Het betekent wel dat verschillen tussen mensen geen reden mogen zijn om iemand als minder mens te beschouwen.

Juist bij discriminatie wordt die grens zichtbaar. Wanneer iemand vanwege bijvoorbeeld afkomst, geloof, geslacht of een andere eigenschap structureel als minderwaardig wordt behandeld, zit daar impliciet de boodschap in:

Jouw mens-zijn telt minder dan dat van een ander.

En daarmee komen we bij iets interessants.

Hoewel menselijke waardigheid moeilijk precies te definiëren is, blijkt uit de rechtspraak vrij duidelijk wanneer zij op deze twee punten wordt geschonden.

Misschien ligt juist daarin een sleutel tot de betekenis van menselijke waardigheid: we kunnen haar niet eenvoudig definiëren, maar herkennen wel wat er gebeurt wanneer zij wordt geschonden.

In deze voorbeelden erkennen we blijkbaar ook dat ieder mens iets bezit wat níét geschonden hóórt te worden.

Maar wát is dat iets?

Wat wordt hier geraakt?

Is het autonomie? Bewustzijn? Het vermogen te voelen? Vrijheid? Intrinsieke waarde? Integriteit?

De ziel?

Het zijn verschillende woorden waarmee we iets proberen te benoemen dat zich niet eenvoudig laat vastpakken of meten.

Maar verwijzen ze werkelijk naar heel verschillende dingen?

Of proberen juridische, filosofische, religieuze en seculiere tradities soms met andere woorden iets van dezelfde menselijke werkelijkheid te beschrijven?

Als we er op deze manier naar kijken, gaat artikel 1 van de UVRM verder dan een universeel beginsel over hoe we mensen zouden moeten behandelen.

Het raakt ook aan een veel diepere vraag:

Wat is een mens eigenlijk?

Zelf geloof ik dat een mens meer is dan alleen een lichaam, een identiteit of een verzameling eigenschappen: dat er een innerlijke, spirituele kern is die wezenlijk deel uitmaakt van ons mens-zijn.

Voor mij raakt artikel 1 uiteindelijk ook aan de bescherming van die kern.

Iets dat niet afhankelijk is van afkomst, status of prestatie. Iets dat ieder mens bezit — en wat we blijkbaar ook in elkaar herkennen. Ongeacht religie of welke andere overtuiging dan ook.

Iets dat wordt geraakt wanneer een ander ons tot een object reduceert. Iets dat pijn doet wanneer we als minderwaardig worden behandeld.

De essentie van ons mens-zijn.

Misschien is dat wel waarom menselijke waardigheid ons zo vanzelfsprekend voorkomt, terwijl we haar tegelijkertijd zo moeilijk kunnen definiëren.

Lees Kārkliņa’s artikel uit 2026

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *