Terwijl de deur
in het donker
achter mij
langzaam
in het slot valt,
wordt de tijdloze stilte
van mijn gemijmer
over onze laatste zachte zoen,
abrupt verstoord
door de wind.
Het is de wind,
die bulderend de hoek om raast,
gefrustreerd,
omdat ie het niet kon winnen
van de sterke muren
van de trotse huizen,
en zich daarom botviert
op mijn haar.
Wind,
ik geniet van jouw kracht,
ik geniet van jouw energie,
ik geniet van jouw aanraking,
ik geniet van jouw geur.
Terwijl ik naar huis loop,
wen ik aan de storm;
en lijken de uithalen van de wind
getemd te worden
door de takken van de bomen
die zich naar mij buigen
als ik ze passeer.
Het wordt stil om mij heen,
de wind plaagt mij niet meer
maar flowt juist met mij mee.
En terwijl de wind
mij nu met rust laat,
hoor ik op de achtergrond
zijn bulderend geraas
waarin hij
alleen voor mij verstaanbaar
jouw naam
in langgerekte klanken
laat ruisen door de nacht.
Wind,
ik geniet van jouw aanwezigheid,
ik geniet van jouw felheid,
ik geniet van jouw stoten,
ik geniet van jouw druk in mijn rug.
Wind, net als jij
wil ik mijn intentie voortdurend voelen,
soms bulderend,
soms stil,
maar altijd in beweging,
het leven leven
en met mijn lief
door pieken en dalen gaan
maar mijzelf altijd weten te herpakken
met een eindeloze energie.




