‘En waar denk jij naartoe te gaan?’
Het is niet zijn lichaam dat mij tegenhoudt. Het is de intentie waarmee mijn vader deze woorden uitspreekt, waardoor ik ogenblikkelijk bevries.
Al mijn verzamelde verwachtingen voor de avond zijn in één tel bedorven. De intense opwinding die zich gedurende de dag in mij heeft opgebouwd, vliegt als een leeglopende ballon alle kanten uit.
‘We hadden toch afgesproken dat ik vanavond uit zou gaan?’ breng ik voorzichtig naar voren terwijl ik hem vanonder mijn wimpers amper aan durf te kijken.
Dat hij eerder die week ‘ja’ had gezegd, nadat ik al mijn moed had verzameld om te vragen of ik met mijn vrienden uit mocht, kan hij zich niet herinneren.
‘Ik weet van niks. Maar als jij denkt dat je daar zo nodig heen moet, kom dan morgen niet bij mij huilen als je onderweg wordt verkracht.’
Hij blijft in de deuropening staan en maakt een gebaar dat ik het zelf maar moet weten. Als ik zo nodig wil, mag ik gaan.
Maar de lol is eraf.
Ik trek mijn jas uit en ga terug naar mijn kamer. Ik kies voor de weg van de minste weerstand. Ik laat mezelf tegenhouden.
Pas twee jaar later, wanneer ik als achttienjarige student op kamers woon en eindelijk zelf kan bepalen wat ik doe en met wie, haal ik die gemiste vrijheid in.
Onzichtbaar
Mijn vader was een moeilijke man. Hij had het moeilijk met zichzelf. En was daarom moeilijk voor ons.
Autoritair. Overheersend.
Niet fysiek. Hij heeft me nooit met een vinger aangeraakt. Woorden waren genoeg.
Toch hield ik van hem. Hij had ook een lieve kant. Misschien kwamen zijn woorden daarom wel zo hard binnen. Hij wist me precies daar te raken, waar ik het meest kwetsbaar was. Daardoor leerde ik mijn eigen gevoel steeds minder te vertrouwen.
Wie mij kent zoals ik nu ben, zal waarschijnlijk niet begrijpen dat ik me zo liet beïnvloeden en nauwelijks tegen hem inging.
Maar woorden kunnen macht hebben.
Ik durfde niet voor mezelf op te komen. Ik kroop in mijn schulp, maakte me onzichtbaar en ging conflicten uit de weg. Het werd een overlevingsmechanisme.
Omdat het niet veilig voelde om mezelf te zijn, keerde ik naar binnen. Naar een zelf gecreëerde wereld waarin alles anders was.
Een wereld waarin ik de echte werkelijkheid niet hoefde te confronteren.
Laatbloeier
Ik ben een typische laatbloeier.
Pas rond mijn vijfentwintigste, toen ik mijn eerste zelfgekozen baan had en niet langer onder het juk van mijn vader mijn keuzes maakte, begon ik langzaam uit te groeien tot wie ik diep vanbinnen altijd al was.
Dat ging met vallen en opstaan. Mijn lage zelfbeeld zat me vaak in de weg.
Onderweg waren er verschillende mijlpalen. De grootste stap zette ik echter pas na mijn vijftigste. Toen besloot ik dat ik het aan mezelf verplicht was om er nog helemaal voor te gaan.
Om voor mezelf te kiezen. Om nog alles uit mezelf te halen wat erin zit.
En om me niet langer te laten tegenhouden.
Niet door een ander. Maar vooral niet door mezelf.




